Geschiedenis

De geschiedenis van de Bullmastiff zoals we deze nu kennen begint als James Watt de stoomtrein uitvindt. Dit is de start van de industriële revolutie welke de voedingsbodem zal blijken voor de taak van de Bullmastiff. Door de industrialisering is een nieuwe sociale rangorde ontstaan met grote verschillen tussen arm en rijk. De overgrote meerderheid aan arbeiders woont onder armoedige omstandigheden terwijl vlak naast de deur op het landgoed van de rijke industrieel het wild vrolijk rondhuppelt. Stropen was hierdoor wel erg verleidelijk en zelfs bijna een levensvoorwaarde. De rijken zagen op hun beurt stroperij niet zitten en wilden hun bezit beschermen. Hiervoor werden op grote schaal jachtopzieners ingezet.

In het begin werd de Bulldog gebruikt door jachtopzieners maar deze was nogal bijtgraag en stropers legden soms al het loodje voordat ze berecht en opgehangen konden worden. Er was dus behoefte aan een minder bijtgrage hond met voldoende kracht om de jachtopziener te beschermen en stropers te kunnen overmeesteren. Deze hond ontstond uit de kruising van de Bulldog en de Mastiff. De Bulldog werd ingekruist vanwege zijn snelheid en temperament en Mastiff vanwege zijn formaat, gewicht en kracht. Van de Bulldog kregen de eerste honden ook hun gestroomde vacht en de vorm van hun hoofd mee. De vorm was nodig om te kunnen blijven ademhalen als hij iets of iemand vast moest houden. De verhouding van de rassen is ongeveer 60% Mastiff en 40% Bulldog.

Het ontstaande ras, de Bullmastiff, had zijn donkere kleur mee, had een uitstekende uithoudingsvermogen en was door zijn kracht en massa in staat om stropers te overmeesteren en in bedwang te houden totdat de jachtopziener was gearriveerd. Bijten en doden zit de Bullmastiff dus niet in het bloed en is in de loop van de tijd systematisch uit het ras gefokt.

 

De voor- en nadelen van de Bullmastiff

Bullmastiffs hebben een zeer evenwichtig karakter. Ze zijn niet snel onder de indruk en reageren over het algemeen rustig en stabiel op allerlei indrukken. Ze zijn moedig en lichamelijk erg hard voor zichzelf. In contrast hiermee zijn ze gevoelig voor stemmingen in huis en tonen ze zich in het eigen gezin zachtaardig. Buitenhuis kunnen ze behoorlijk actief zijn, in huis zijn ze echter rustig en zelfs lui. Over het algemeen blaffen ze weinig maar zullen wel waarschuwen in geval van onraad. De bullmastiff zal zijn gezin en de bezittingen zeer overtuigend beschermen tegen kwaadwillenden. Ze zijn erg aanhankelijk wat ze minder geschikt maken om in een kennel te houden. Veelal zullen ze dit ervaren als straf, de Bullmastiff hoort in huis, te midden van het gezin, te leven.

Aandachtspunt is zijn luiheid die soms tot overgewicht kan leiden. Verder kan de Bullmastiff dominant en eigenwijs zijn hetgeen vraagt om een consequente en liefst ervaren baas. Hij kan behoorlijk snurken en kwijlen, zeker als hij tijdens maaltijden af en toe iets toegestopt krijgt. Dit zal onherroepelijk tot bedelgedrag leiden met kwijlen als gevolg. Mits goed gesocialiseerd is de Bullmastiff een prettige huisgenoot die zeer verdraagzaam is naar kinderen en andere huisdieren. Soms wel lomp, met name jonge honden kunnen onbedoeld kinderen of zelfs volwassenen omver lopen.

 

Rasstandaard

In 1911 werd de Fédération Cynologique Internationale (F.C.I.) opgericht. Dit was het resultaat van de wens om internationale samenwerking van een vijftal landen, te weten: België, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk. Inmiddels telt de F.C.I. wereldwijd zo’n 84 leden. De Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland is het overkoepelende orgaan welke namens Nederland lid is van de F.C.I.

Van alle erkende rassen is een rasstandaard opgesteld. De standaard dient als leidraad voor fokkers en keurmeesters en vorm als het ware een ideaalbeeld waar de honden van het betreffende ras aan moeten voldoen.

Hieronder treft u de rasstandaard van de Bullmastiff aan:

Algemeen Beeld
Krachtig gebouwd, symmetrisch, met veel massa, maar niet lomp, evenredig actief.

Karakteristieken
Krachtige bouw, uithoudingsvermogen, actief en betrouwbaar.

Hoofd en schedel
Schedel groot en vierkant vanuit elke hoek bekeken, met plooivorming als hij geïnteresseerd is maar niet in rust. De omvang van de schedel mag evenveel centimeters meten als de hoogte van de schoft. De schedel moet breed en diep zijn, met goed opgevulde kaken. Geprononceerde stop. Voorsnuit kort. De afstand van de neuspunt tot de stop moet bij benadering een derde zijn van neuspunt tot de achterhoofdsknobbel. Breed onder de ogen. De neusrug is breed tot het einde bij de neuspunt. De voorsnuit is stomp en vierkant en vormt een rechte hoek met de lijn over de neusrug. De massa van de voorsnuit moet in overeenstemming zijn met de massa van de schedel. De onderkaak moet breed blijven tot het einde. De neusspiegel moet breed zijn, met wijd geopende neusgaten. De neus ligt vlak, noch puntig noch opwaarts gebogen. De lippen niet overhangend, nooit beneden de onderkant van de onderkaak.

Ogen
Donker of hazelnootkleurig en van middelmatige grootte, zover uit elkaar geplaatst als de breedte van de neusrug en tussen de ogen een groeve. Lichte of gele ogen hoogst ongewenst.

Oren
V-vormig naar achteren gevouwen. Hoog en ver uit elkaar aangezet en geeft met de bovenkant van de schedel een vierkante indruk, welke zeer belangrijk is. De oren zijn klein en donkerder van kleur dan de kleur op het lichaam. De punt van het oor komt ter hoogte van het oog wanneer de hond alert is.

Mond en gebit
Gebit bij voorkeur tanggebit, lichte onder-voorbeet is toegestaan doch niet geprefereerd. Hoektanden groot ontwikkelt en ver uit elkaar geplaatst. Overige tanden sterk, recht en goed geplaatst.

Hals
Goed gebogen en van middelmatige lengte, zeer gespierd en van bijna dezelfde omtrek als de omvang van de schedel.

Voorhand
Borst breed en diep, goed tussen de voorbenen geplaatst met een diepe voorborst. Gespierde schouders, schuin liggend en krachtig maar niet beladen. Voorbenen krachtig en recht met zwaar bot. Goed uit elkaar geplaatst zodat er een krachtig recht front ontstaat. Sterke en rechte middenvoeten.

Lichaam
Rug kort en recht, wat de hond een compacte indruk geeft, doch nooit zo kort dat het hinderlijk wordt bij de beweging. Karperruggen en doorgezakte ruggen hoogst ongewenst.

Achterhand
De lendenen zijn breed en gespierd met behoorlijk diepe flanken. Achterbenen sterk en gespierd met goed ontwikkelde onderdijen, die kracht en beweeglijkheid geven. Nooit lomp. Hakken middelmatig gehoekt. Koehakkig is hoogst ongewenst.

Voeten
Goed gebogen tenen (katvoet) met harde teenkussens. Donkere teennagels gewenst. Spreidtenen hoogst ongewenst.

Staart
Hoog aangezet, breed bij de aanzet, smal uitlopend en tot de hak reikend. Hij wordt recht of licht gebogen hangend gedragen, doch nooit zo ver over de rug of zo hoog als bij brakken. Knik of kronkelstaarten hoogst ongewenst.

Beweging
De beweging toont kracht en straalt vastberadenheid uit. Als de hond recht loopt mogen voor- noch achterbenen elkaar kruisen. Het rechtervoorbeen en linker achterbeen worden tegelijk voortbewogen. Een goede ruglijn gecombineerd met een krachtige achterhand geeft een goede balans en een harmonisch gangwerk.

Vacht
Kort en hard, weerbestendig, vlak aanliggend. Lang, zijdeachtig of wollige vacht is hoogst ongewenst.

Kleur
ledere tint van gestroomd, zandkleurig of rood. De kleur dient zuiver te zijn. Een kleine witte aftekening op de borst is toegestaan. Andere witte aftekeningen zijn ongewenst. Een zwarte voorsnuit is essentieel, omhooglopend afnemend tot en zwart rond de ogen. Dit geeft de typische expressie.

Schofthoogte
Reuen: 63,5 cm tot 68,5 cm
Teven: 61 cm tot 66 cm.

Gewicht
Reuen: 49,9 kg. tot 59 kg.
Teven: 41 kg. tot 49,9 kg.

Fouten
ledere afwijking van de voorgenoemde punten moet als fout gezien worden. De waarde van die fout moet ten opzichte van het totaal aangerekend worden. Reuen moeten twee ingedaalde testikels hebben en zichtbaar zijn in het scrotum. FCI standard nr. 157c – Goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de FCI op 23 en 24 juni 1987 te Jeruzalem.